zondag 26 september 2010




Vakkennis, Diagnostiek en 'De Goede Aanpak'  in het digitale tijdperk/strijdperk,
Onze vakkennis als professional in de sector zorg en welzijn; kunnen we, durven we nog wel zelfkritisch te zijn? Passen we nog wel zelfreflectie toe, heeft dat nog zin, heeft dat nog een kans?
Wij positioneren ons in de sectoren zorg en welzijn als mensen-mens. Iemand die weet wat een andere mens denk, voelt, beleeft. Maar: als we naar een andere mens kijken en luisteren proberen we die andere te begrijpen en dat doen we op basis van onze vakkennis, waarin theorie en praktijk als professionele combinatie, goed zijn afgestemd. Bovendien zijn we zelf ook mens met een eigen persoonlijke achtergrond en ervaring, we hebben onze eigen referentiekaders, waaruit we de dingen des levens - trachten te - beoordelen. Wij willen alles begrijpen van onze cliënten, of die nu jong of oud zijn, een stoornis hebben of niet, verslaafd zijn of niet, welke achtergrond men ook heeft, wij vormen ons een beeld, van hoe het zit bij onze cliënt(en). En vervolgens bedenken we - dat doen we vaak 'samen' met de cliënt..mogelijke oplossingen. Dat verwachten die cliënten ook van ons, dat is hun referentiekader, hun perspectief naar ons.
We gaan als professional gemakkelijk 'in de foute beoordeling(en) ' als we voor 'de ander(en)' vanuit ons eigen perspectief diens/hun gevoelens, gedachten, belevingen, denken te 'kennen.' Vooral als we snel willen/moeten zijn, bestaat het gevaar dat we de cliënt(en) attribueren, dat we onze eigen perspectieven - vanuit onze eigen achtergrond, belevingen, ervaringen, gevoelens, projecteren op de cliënt(en). Dan komen we met de etiketjes uit DSM-IV, met de labeltjes uit de jeugdzorg, of de bejaardenzorg. Helemaal riskant is het, als een etiket of een label, ook nog de oplossing lijkt voor de cliënt en zijn/haar omgeving, dus dat vraagt van ons extra zorgvuldigheid, zelfreflectie, het even laten 'bezinken' en nog eens goed bij ons zelf en onze collegae te rade gaan, desnoods.
Ik ben ruim veertig jaar doende als professional in verschillende sectoren binnen zorg en welzijn en ik ben nog nooit, 'een zelfde geval' tegengekomen in mijn werk. Wel dezelfde 'soort van gevallen' de te categoriseren soorten problemen, of combinaties daarvan als het complexe problematiek betrof. Maar ieder mens is verschillend, jong en oud, ieder individu is ook in zijn problematische situatie anders, de omstandigheden zijn anders, want die persoon heeft vandaag, anno nu, een andere interactie met zijn omgeving dan een eerdere cliënt van tien jaar geleden.
De vragenlijstjes, mogen ze dan professioneel zijn opgesteld, gemakkelijk te gebruiken, men vindt zelfs dat ze zo handzaam zijn, dat leraren, ouders, de kinderen zelf desnoods, de lijstjes invullend, de juiste diagnose zouden kunnen stellen: "Mevrouw/Mijnheer, Meester/Juf, Jantje/Marietje, ik heb hier een linkje voor je, naar een lijst met 99 vragen, die je kunt beantwoorden met ja of nee.
Vul het formulier thuis achter de pc/laptop in en stuur het naar mij/ons op. Dan krijgt u van mij/onze organisatie instelling, p.o. de uitslag of en welke stoornis Jantje/Marietje, Opa/Oma, Mijnheer/Mevrouw, heeft." Online diagnostiek en hulpverlening, mens wat wil u nog meer?
We hebben vanuit ons professionele perspectief nu ook de diagnostiek geattribueerd vanuit het management denken in de sector zorg en welzijn. Het kan sneller, beter, oogt professioneler, we hebben veel sneller de oplossingen voorhanden, de klant kan met ons meekijken, het proces van diagnostiek is volledig transparant geworden, dus wat wil de cliënt nog meer? “Ons oordeel” kan nu nooit meer fout zijn, want na een lange studie en ervaring, hebben we ook nog onze diagnostische methodiek, universeel, geldig over de hele wereld, voor alle mensen....
Dus als wij zeggen dat Jantje volgens onze digitale diagnostiek een Asperger is, en Marietje ADHD heeft, en Pietje last heeft van een angststoornis, dan is dat ook zo... en als het formulier correct wordt ingevuld, dan komt er de feilloze diagnose uit, die alle collegae wel zullen – moeten – onderschrijven, waarmee in principe ook al het behandelplan, zo goed als klaar is. Wij zijn immers lid van onze beroepsverenigingen, en op met behulp van het management en auditoren gecertificeerde wijze weten we voortaan binnen onze instellingen altijd welke de aangewezen, methodiek is. Dat kan voor een aantal stoornissen en problemen ook al online; de client hoeft dus niet eens meer naar ons toe te komen, of wij hoeven hem/haar zelfs niet meer te bezoeken, als het een hardnekkige zorgmijder is, mits we zijn/haar NAW gegevens digitaal ter beschikking hebben, inclusief de nummers van de ziektekostenverzekering en DigiD.  
En als je in AWBZ, of desnoods ook in WMO termen denkt, dan is dat voor ons als professional, als instelling, als organisatie, ook gunstig. Het zijn van jongs af aan al 'vaste klanten' dus als manager binnen een instelling, kan je daar wat mee, ook de raad van Bestuur begrijpt de output en bij het ministerie, is men overtuigd dat de uitgaven omhoog moeten en het management en bestuur denken mee, hoe dat zou kunnen en dan komt men straks met de echte oplossing:
Jij, ik, wij allemaal, de professionals, die kunnen wel naar huis, want we zijn dank zij onze lange opleidingen, en anciënniteit te duur geworden, we zijn zelf het probleem van welzijn en zorg. Weet u al hoe u een WW uitkering moet aanvragen? Eerst thuis op de computer een DIGI D, Dan per pc thuis, inschrijven bij 'Het Werkbedrijf' en dan kan u een uitkering aanvragen bij het UWV.
En dan kan de hulpverlener, de werker in zorg en welzijn, de professional naar huis en als deskundige, een eigen bedrijfje starten, maar qua cliënten en tarief zul je alleen de mensen kunnen bedienen, die:
  1. Nadenken over het aanbod in de reguliere sector zorg en welzijn, de gesubsidieerde variant van onze deskundigheid;
  2. En met ons tot de conclusie kunnen komen, dat het reguliere aanbod niet passend Is;
  • En bereid zijn voor jouw kwaliteit om goed te luisteren, te denken, je 'in te leven' in de ander, met die ander – en diens omgeving – mee te denken, die ander te helpen met reflecteren, de eigen oplossingen te (onder)zoeken, te proberen, te evalueren;
  • en ze zo te stimuleren dat ze met hun leven verder kunnen, en willen;
  • maar dat kan je alleen nog doen met en voor de mensen die bereid en in staat zijn/of in staat gesteld worden;
  • Daarvoor zelf ook nog te willen en kunnen betalen....
En dat op dat kleine deel van de markt van Zorg en Welzijn wordt de zelfstandig werkende professional dan ook nog eens beconcurreerd door dezelfde instellingen en organisaties die via overheidssubsidies en AWBZ en WMO in staat zijn om als spin-off een commerciële instelling op te zetten.
En deze trend, ontwikkelde en ontwikkelt zich terwijl de kosten voor de psychische, mentale, orthopedagogische zorg, al geruime tijd flink stijgen. De beloofde vooruitzichten op dalende kosten door het uitschakelen van professionele ‘erg dure’ hulp, blijkt niet te werken, zolang als managers en hun beleidsvoorstellen, meer invloed hebben op het beleid, dan de professionele hulpverleners die de kwaliteit in het primair proces zouden moeten kunnen borgen...
Hetzelfde proces zie je in het onderwijs, bij de politie, overal waar vakkennis - ook – vooral mensenwerk is en vervangen wordt door een aan een database gerelateerde virtuele onpersoonlijke aanpak op afstand...gaat de kwaliteit van de communicatie, de interactie, de informatie achteruit en leidt de standaardisatie tot wanprestatie.
Ben ik gezien het voorgaande betoog tegen gebruik van ICT in de hulpverlening en het welzijn? Nee, volstrekt niet, maar wel tegen het rigide proces, waarmee erg complexe vraagstukken via een 'standaardformulier op uw pc te downloaden' vervolgens na een 'aanmelding' ook nog 'even snel' opgelost moet worden. Ik vind dat men de complexiteit van de mens en zijn gedrag onderschat, we weten al een heleboel, we kunnen al behoorlijk wat, maar het standaardiseren van diagnostiek, en zelfs de behandeling, dat is alleen mogelijk als men voorbijgaat aan de professionele 'kunst' die telkens opnieuw vorm krijgt, moet kunnen krijgen, tijdens de complexe interacties tussen cliënt en behandelaar.
Kan dat door uitsluitend gebruik te maken via de pc? Nee! Wat je wel kan doen natuurlijk is een gesprek voeren via de camera, je kan de hulpverlener en cliënt met elkaar laten mailen, je kan formulieren laten invullen en/of daarmee helpen op de pc. Een cliënt kan een verhaal schrijven, belevingen en ervaringen verwoorden op papier. Maar niet iedereen kan en wil dat, sommigen hebben er weerzin tegen. Ik heb het vaak gevraagd aan cliënten in de afgelopen decennia, sinds de pc er is en er internet is, en dat middel steeds hanteerbaarder wordt voor veel mensen. Maar meestal had men er een weerzin tegen, een uitzondering daargelaten, om dingen op papier te zetten, of te mailen. Papier is geduldig, er is een vertrouwensrelatie nodig en borging daarvan en men moet belang blijven hechten aan de hoge professionele kwaliteit, ook tijdens de non-verbale communicatie tussen cliënten en behandelaars.
Harold de Wit Sr.
Directeur/consultant
HDW consultancy
http://hdwconsultancy.web-log.nl/hdwconsultancy/



Ik kreeg een zeer interessante en goede inhoudelijke reactie van Dr. Eric Rosseel.
Het lijkt me erg zinvol om die reactie te plaatsen, en ik hoop dat veel vakgenoten uit de sectoren zorg en welzijn, en ook managers, bestuurder en beleidsmedewerkers, daar kennis van nemen. 
Omtrent: Vakkennis, Diagnostiek en 'De Goede Aanpak': Harold de Wit

Harold raakt in zijn tekst enorm veel punten aan gaande van de relatie "professional"-"cliënt", het vaststellen van een "diagnose", de wijze waarop het eigen referentiekader de "diagnose" beïnvloedt, de maatschappelijke inbedding van het werk in de sector van zorg en welzijn etc. Ik ken de Nederlandse situatie niet genoeg in detail om op bepaalde punten in te gaan.
Ik hou het in eerste instantie bij diagnose.

1. Een diagnose door een professional van een "cliënt" is in wezen gebaseerd op hetzelfde "schema" als dat wat we hanteren in onze dagelijkse omgang met medemensen, m.a.w. de wijze waarop "gewone" mensen zich een oordeel vormen over een medemens (en zichzelf!).
In wezen bestaat deze uit 3 elementen:
1.a. waarneming ("ervaring" in de filosofie i.t.t. cognitieve deductie/logische redenering). Wat we zien en horen dat iemand doet (ook wat hij tegenover ons doet: bv. wat en hoe hij ons iets zegt). Ik verkies hier de term OBSERVATIE

2. oordeelsvorming/interpretatie. De manier waarop we die observaties inpassen in een cognitief kader, m.a.w. een bepaalde taal (woordenschat) etc. waarmee we mensen inpassen in bepaalde categorieën of attributen/bijvoeglijke naamwoorden; bv. hij is koppig, zij is opgewekt etc. Bij professionals kan die taal ontleend zijn aan bepaalde persoonlijkheidstheorieën of typologieën (bv. de types geestesziekten die de basis vormen voor de primaire scores op de MMPI - 550 vragen persoonlijkheidsvragenlijst, u welbekend). In mijn opleiding werd ons geleerd een duidelijk onderscheid te maken tussen bijwoorden (manier waarop iemand iets doet bv. hij sloeg AGRESSIEF de deur dicht), bijvoeglijke naamwoorden (die niet iemands act maar zijn persoon beschrijven: bv. hij was AGRESSIEF en sloeg de deur met een smak dicht) en het zelfstandig naamwoord (bv. zijn AGRESSIVITEIT was haar bekend en dus verwonderde ze zich niet dat hij de deur met een smak dicht sloeg). Dit onderscheid in het oog houden is m.i. belangrijk om voorbarige veralgemeningen over een persoon te vermijden.

3. de (verdere) omgang/interactie met de betrokken medemens. Op basis van 1. en 2. zal men zijn omgang met een medemens aanpassen of bijsturen (bv. hem/haar zoveel mogelijk mijden).

MAAR:
1. dit schema wordt OOK gehanteerd door de persoon die beoordeeld wordt. M.a.w. de wijze waarop u met de persoon omgaat (evt. als gevolg van 1 en 2) bepaalt hoe die persoon met u omgaat, m.a.w. wat hij/zij laat zien. En dan zitten we weer bij 1. vh schema. Heel veel professionals vergeten dit: ze denken dat de bestudeerde medemens daar zit als een neutrale ijsblok.

2. de sequentie observatie-oordeelsvorming-omgang is geen schema waarbij de drie elementen zich opvolgen in de tijd. 1., 2. en 3. spelen zich tegelijkertijd af. Je vormt een oordeel en op basis daarvan gedraag je je op een bepaalde wijze maar evenzeer zorgt je omgang met de persoon ervoor dat je iets te zien krijgt op basis waarvan je een oordeel kunt vorm.

In de dagelijkse omgang krijgen we wanneer twee personen elkaar leren kennen en een relatie onderhouden, een spiraal van observatie-oordeel-interactie. Met daarbij het gegeven dat alle drie elementen doorheen de relatie in de tijd bijgestuurd worden op basis van gedrag van iemand dat je niet goed begrijpt kun je zeggen: "ik ga daar de volgende keer nu es opletten wat ie over X precies zegt en niet zegt". Verder kan het gebeuren dat de consulent (maar ook de "cliënt) een andere of aangepaste intellectuele taal is gaan beheersen om over mensen te spreken/oordelen (bv. de consulent heeft een vormingsweek gevolgd over een nieuwe therapie en haar theoretische uitgangspunten).

3. de diagnostiek als een vorm van systematische observatie vereist dat observatie en interactie/omgang gescheiden worden. Een wezenlijke interactie waarbij men opgaat in de interactie met een medemens, sluit systematische observatie uit, zeker wanneer die gebeurt via geijkte instrumenten (vragenlijst, gestandaardiseerd interview, testen, etc.). Ik herinner me dat wij geleerd hebben observatie en spontane interactie af te wisselen; bv. 5 minuten geëngageerd met iemand over iets te discussiëren met persoonlijke inzet en dan 10 min. te observeren (met minimale interventies van het type "hhm", gewoon om de ander actief te houden). Zonder elementen waarop je zelf niet spontaan omgaat met de ander, zal de ander ook niets "echts" van zichzelf laten zien. (Ik herinner me, ik vertel graag dat verhaal van een 3-tal jaren geleden, dat ik de voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Manisch-Depressieven op bezoek kreeg die met ons Netwerk wou samenwerken; hij heeft 2 uur aan één stuk door zitten herhalen dat we "meer naar de mensen moesten luisteren"; zodra ik iets zei, werd ik onderbroken met een herhaling van zijn stelling dat "we meer naar de mensen moesten luisteren"; ik heb me van 2 uur tot 4 uur in de namiddag geamuseerd met "naar hem te luisteren", hem af en toe gelijk gevend ("ja, we moeten meer naar de mensen luisteren"); om 16 uur toen op tv de uitzending van de Tour de France begon heb ik hem gezegd:

"kijk, nu moet gij eens naar MIJ luisteren; daar is de deur". Ik heb hem later nog een paar keer terug gezien en telkens was hij bezig zich interessanter te maken t.o.v. anderen die zichtbaar geen bal in hem geïnteresseerd waren. Ik bedoel maar: het is niet moeilijk om een realistische situatie te creëren te manipuleren, waarin mensen zich, zonder dat ze dat van plan waren, openbaren op een manier dat ze uiteindelijk een karikatuur van zichzelf laten zien (zodanig dat er iets te observeren valt over hun "persoonlijkheid"). Was die man een "cliënt" of hulpvrager geweest, dan had ik hem uiteraard (??) na een paar minuten op de paradox van zijn betoog gewezen ("we moeten luisteren", maar zelf niet in staat zijn te luisteren, en dan voorzitter zijn van een groep mensen dat verwachten dat er naar hun verhaal geluisterd wordt;

Btw: het verwonderde me niet dat hij me later vertelde dat hij als jongeling eraan gedacht had om priester te worden (hij WAS effectief qua persoonlijkheid een "priester"/preker geworden; nadat hij als voorzitter v Manisch-Depressieven was opgevolgd/vervangen, heeft hij geprobeerd voorzitter te worden van een nieuwe politieke partij, een "sekte" eigenlijk). Ik wil maar bedoelen dat het essentieel is met een cliënt een aantal momenten van "authentieke" (ik zou zeggen: dagdagelijkse) interactie te hebben, waarbij men zich als professional laat gaan, juist om een situatie te creëren waarin de persoon zich laat zien "zoals hij is").

Dit lijkt allemaal vanzelfsprekend. Maar ik stel wel vast dat heel wat professionals geen besef hebben van deze elementairiteiten.

De diagnosticus is een toneelspeler: hij speelt "goed" toneel wanneer hij intens/spontaan met de cliënt omgaat en hij speelt "slecht" toneel wanneer hij systematisch en doordacht/gepland observeert. Maar een diagnosticus die geen "theater" kan spelen, is m.i. gedoemd om zichzelf en zijn evt. opdrachtgever op te solferen met een waardeloze beschrijving/oordeel over de "cliënt". Het verklaart m.i. ook het succes van een bepaald type alternatieve genezers en helers (homeopaten in België; kwakzalvers allerhande, etc.): ze nemen niet alleen meer tijd om de klachten van de patiënt te aanhoren - je moet natuurlijk meer betalen voor hun service - maar dat terzijde – maar ze hebben ook voortdurend oogcontact met je, ook als ze je klachten noteren; kortom, ze geven de indruk geïnteresseerd te zijn (wat ze uiteraard eigenlijk helemaal niet zijn, in de "diepmenselijke" zin; neem een steekproef van reguliere huisartsen en ik wed er een pak florijnen op dat ze meer oogcontact hebben met hun pc dan met de patiënt; - cynisch- (daar heeft de arts natuurlijk baat bij, je geneest niet, dus de week erop ben je daar weer met dezelfde klachten).

4. wat veel diagnostici volgens mij over het hoofd zien is dat in de omgang met een ander (ook in de relatie professional-cliënt) een deel van de waarneming van de ander rechtsreeks, zonder de omweg van de intellectuele beoordeling, onze tegenactie/antwoord bepaalt, maar de gevoelens die deze waarneming van de ander opwekken, vertalen zich wel in onze intellectuele beoordeling. Ik bedoel uiteraard aspecten van de lichaamstaal: gezichtsuitdrukkingen, gebaren en de toon en timbre van de stem van de ander. We reageren daar direct op (bv. door onze eigen lichaamshouding aan te passen, bv. onze armen kruisen/ontkruisen) maar we ervaren ook gevoelens: sympathie vs. antipathie; betrokkenheid/interesse vs. onverschilligheid/verveling.

Het is mijn overtuiging dat deze gevoelens dikwijls bepalen welke gradatie van een eigenschap we aan iemand toekennen, bv. of we zullen zeggen "die persoon is introvert" versus "die persoon is EXTREEM (of omgekeerd: MATIG) introvert", etc. Ik zou op basis van ervaring durven zeggen dat dat ons oordeel over de intensiteit van een persoonseigenschap (extreem vs. matig) bepaald wordt door een complexe niet-geplande verwerking van dit soort waarnemingen van de ander/"cliënt."

5. ik voeg er onmiddellijk aan toe: een diagnosticus die zichzelf niet kan relativeren, m.a.w. die er geen oog voor heeft hoe zijn eigen manier van doen/spreken etc. bepaalt wat de te beoordelen/diagnosticeren persoon laat zien en laat horen, kan m.i. nooit een waardevolle diagnose formuleren, waardevol in de zin dat hij er als therapeut mee verder kan om de persoon te begeleiden met zicht op resultaat, of in de zin dat derden (de opdrachtgever) op basis van de diagnose tot een zinvolle omgang/begeleiding/behandeling van de persoon kunnen komen.

ad hoc: van mijn universitaire opleiding herinner ik me slechts 1 vaardigheid geleerd te hebben: Observeren. Als onderdeel van de opleiding Persoonlijkheidspsychologie moesten wij als studenten personen in bepaalde realistische situaties (frustratiesituaties, probleemoplossen door samen te werken met anderen, e.d.) observeren; die proeven duurden een dikke 2 uur en werden op video opgenomen. Tijdens de proef (die we zelf ook als "proefpersoon" hadden ondergaan) moesten wij al opschrijven wat de persoon deed, maar alleen wat we zagen en horen, zonder de minste interpretatie. Bv. "hij gaat zitten op een stoel en krabt in zijn haar" was Oké, maar "hij gaat op de stoel zitten om na te denken wat hij nu gaat doen" was Fout, want dat hij aan het nadenken was, dat konden we niet zien, dat was een interpretatie (mogelijk juist, mogelijk verkeerd).
Dat was uren werk om nadien ook nog die video van hetzelfde op die manier te moeten verslaan (2 uur video = was 8 uur notities). Iedereen haatte dit werk (al waren die proeven heel boeiend; situatieproeven, heette dat, gebaseerd op de Duitse psychologie van de jaren 1920, waarbij de naam van de nadien naar de US uitgeweken miskende pionier Kurt Lewin U niet vreemd zal zijn; de man van het "democratisch leiderschap (vs. autoritair)" voor leerkrachten en ploegbazen in bedrijven; de man ook die de groepsdynamica introduceerde; miskend genie die man).

We haatten dit werk, maar verdorie als ik me vergelijk met de nieuwe generaties psychologen na mij: wij beheersten een essentiële vaardigheid die bij ons een automatisme werd; als ik iemand ontmoet, zie ik zonder mij te moeten inspannen, onmiddellijk wat iemand met zijn/haar handen doet, enz. zonder meteen daaruit een conclusie te trekken; maar we hebben het WEL gezien! Ik stel tot mijn ongenoegen vast dat de overgrote meerderheid der psy-mensen: psychiaters, psychologen, etc. meteen bezig zijn met interpretaties op hoog niveau (welke geestesziekte, etc.), maar amper iets GEZIEN hebben. Uiteraard: want ze KIJKEN niet eens.

Ik hou nog steeds vast aan de overtuiging, en geen enkele ziekenhuispsychiater heeft me ooit gezegd dat ik verkeerd was, dat in een ziekenhuis de psychiater eigenlijk niets weet over de patiënt, de verpleegkundigen één en ander, en (sommige) medepatiënten hebben echt zicht op het probleem van de patiënt. (Pastorale werkers en wat wij noemen "morele consulenten" in het hospitaal zijn dikwijls de enige personen waar patiënten echt vrijuit mee praten, ook al omdat die mensen hun tijd nemen ook voor een "banaal babbeltje"). Waarom, inderdaad, zou de patiënt de psychiater wat dan ook vertellen? Hij weet nauwelijks wat een psychiater of psycholoog is of doet, laat staan dat hij het verschil kent tussen beide, buiten het recht medicatie voor te schrijven! Maar vooral: er wordt hem/haar, de patiënt dus, verdorie eigenlijk NIETS GEVRAAGD (behalve de eigenlijk oppervlakkige "aanleiding" voor de opname)! Hoe het in Nederland op dat vlak aan toe gaat, weet ik uiteraard niet.

6. het probleem met diagnose is voor wat betreft professionals:
als professionals denken we dat wij voordat we iemand (de "cliënt") zien, over een paraat en zelfs vanzelfsprekend kennisarsenaal beschikken dat we op de cliënt kunnen toepassen. Dat is de grootste val waarin we trappen.

Dit arsenaal van theorieën is a) doorgaans zeer abstract en schematisch, armoedig dus b) onderhevig aan trends en modes c) tegenwoordig ook meer en meer object van commercialisering ("theorieën" worden via opleidingsinstituten verkocht net zoals waspoeder in grootwarenhuizen wordt verkocht) d) etc.

Nu ben ik blij in mijn opleiding duidelijk geleerd te hebben dat we van een medemens alleen een "selectie" zien: de psychologie kan het zich niet veroorloven iemand 24 op 24 uur in al de situaties waarin iemand zich begeeft, te volgen. De "selectie" die we maken is echter zeer eenzijdig en doorgaans helemaal niet representatief: het overgrote merendeel van de "cliënten" moet zijn/haar verhaal vertellen of bepaalde tests ondergaan in een ruimte WAAR HIJ NOOIT EERDER IS GEWEEST.

Wij zouden als professionals nooit accepteren dat we zelf op die manier zouden beoordeeld worden met alle consequenties voor wat er verder met ons zou moeten gebeuren.

(Niet te verwonderen dus dat wanneer psychologen of psychiaters zelf psychiatrisch patiënt zijn - wat vrij regelmatig voorkomt, vooral alcoholontwenningskuren voor psychiaters - en gehospitaliseerd zijn, de psy-mensen - psychiaters, psychologen - zeer behoedzaam optreden, heel onzeker en een beetje beschaamd zelfs soms; ook natuurlijk omdat deze mensen hun medepatiënten precies kunnen vertellen waarvoor die MMPI of die inktvlekken dienen en waarom meneer Rorschach dat in 1920 ontwikkeld had etc.).

In die context blijkt dikwijls hoe wankel de basis was waarop de psychiater "patiënten" beoordelen of een label geven: ze staan dan tov "patiënten" die de negatieve aspecten van tests, vragenlijsten etc. kennen en die mogelijk beter getraind zijn in interviewtechnieken).

Kortom: een professional moet zich bewust zijn van de "selectiviteit" van wat hij van een persoon te zien krijgt, of het nu gaat om een interview of om testing. Het besef van die selectiviteit bepaalt in ruime mate in hoeverre je wat je van de persoon te zien krijgt, kunt veralgemenen.

7. In bepaalde gevallen is de beoordeling maar een onderdeel van de interactie met de cliënt, zoals bv. in een langdurige psychotherapie. Een diagnose in enge zin (een "etiket" of "label") is hier helemaal niet nodig om een hulpverleningsrelatie te starten, integendeel, het is juist aangewezen een diagnose uit te stellen en in ieder geval als voorlopig te beschouwen. Een cliënt die zich aandient als agorafoob, kan deze symptomen gebruiken als introductie voor een onderliggende problematiek die veel diepgaander is, die de persoon wel onderkent, maar die hij niet zo precies onder woorden kan brengen en zich dus maar aanbiedt met iets dat toch mooi "in de boekjes" staat.

Vandaar bv. dat in de psychoanalyse de diagnose als afzonderlijke handeling, als apart moment, eigenlijk niet bestaat of althans als afzonderlijk "moment" irrelevant is. Dat geldt in wezen voor alle langdurige therapieën, waarbij de diagnose in de vorm van een label of "etiket" de cliënt in wezen niet verder helpt (tegenwoordig zeggen alle cliënten in België aan hun naasten dat ze een "depressie" hebben; dat is sociaal acceptabel, maar tegelijk een "mode", voorheen was het een "zenuwinzinking").

Het diagnoseprobleem stelt zich vooral daar waar professionals zich een oordeel moeten vormen en VERSLAG geven over een persoon die ze verder niet meer zullen zien, m.a.w. wanneer de resultaten bedoeld zijn voor derden. Bijvoorbeeld: personeelswerk (testing van sollicitanten), psychiaters/psychologen in de opvangafdeling van een psychiatrisch hospitaal (die moeten bepalen naar welke afdeling de betrokkene moet), gerechtspsychiaters die moeten oordelen over toerekeningsvatbaarheid, schoolpsychologen die door een leerkracht een "probleem" leerling doorgestuurd krijgen.

8. De cliënt komt zelf ook naar een consult met een bepaald beeld over wat er doorheen het gesprek of de proeven/testen op het spel staat, ongeacht of dit beeld realistisch is of niet. Zeker in België weet een doorsnee mens (zelfs een universitair geschoolde) amper wat een psychiater of een psycholoog nu kunnen en niet kunnen, wat het verschil is tussen beiden, etc. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ze geen idee hebben over de draagwijdte van een gesprek met een psy of een consultant. Het idee dat zij over onze competentie hebben is m.i. over het algemeen accurater dan het idee dat wij hebben over hun idee over onze competentie.

9. de diagnostiek in enge zin heeft zich voor een ruim deel ontwikkeld onder invloed van de zorgverzekeraars. In de US en ook in Nederland steunt de terugbetaling van psychotherapie op de vermelding van een diagnose (op basis van de DSM-IV; die medisch gezien eigenlijk geen echte diagnose is maar een beschrijving van samenhangende symptomen waar dan een label, een mooi woordje - een "stoornis" - wordt opgeplakt; maar deze labels hebben niet de status van bv. de medische diagnose "tuberculose" of "griep", die ook een oorzaak van de ziekte inhouden en één - en niet een keuze tussen 2 of 3 of 5 - welbepaalde behandeling aanwijzen). Deze diagnose is eigenlijk een puur administratieve kwestie, maar met verstrekkende gevolgen. Ze leidt ertoe dat dat de consulent zijn zicht beperkt én dat de cliënt zichzelf een etiket opplakt dat ook zijn/haar visie op zijn/haar levensproblemen beperkt. Maar beide partijen zijn daarmee tevreden. (Vergeten we niet dat een "cliënt" die in psychotherapie gaat, ondanks al zijn formuleringen, IN GEEN GEVAL van zijn symptomen af wil ! )

In België is het ook zo dat een gedwongen opname in de psychiatrie, om wettig te zijn, een medisch attest vereist waarop een arts niet alleen de symptomen beschrijft maar ook de specifieke "geestesziekte" moet vermelden. Hier wordt nogal met natte vingers gewerkt. De wettelijke bepaling dat de betrokken persoon moet "lijden aan een geestesziekte" leidt hier dus tot een diagnosticering die er eigenlijk geen is (hoe bepaal je de geestesziekte van iemand die in coma ligt na een zelfmoordpoging ???).

Bovenstaande lijkt me allemaal elementair. Maar ik heb de indruk dat psy-werkers en mensen in de sector welzijn & zorg de impact van deze elementaire gegevens niet meer beseffen en dus ook amper de relativiteit van de bronnen waarop hun oordeel over "cliënten" is gebaseerd, niet meer beseffen. Het verwondert mij dan ook niet dat de psychologie (en de psychiatrie) die vgl. met een halve eeuw geleden, een prominente plaats heeft gekregen in de samenleving, niet bepaald een positieve balans kan voorleggen wat betreft de aanpak van een aantal psychosociale problemen.

PS: Van Vlamingen wordt gezegd dat ze hun problemen voor zich houden. Het lagere zelfmoordcijfer in Nederland wordt dan verkaard met het gegeven dat Nederlanders sneller over hun "psychische" problemen praten met verwanten en vrienden, en ook sneller naar deskundige hulpverleners stappen. Mijn ervaring met Hollanders sluit eerder aan bij het cliché dat Ollanders "veel praten maar weinig zeggen", maar dit verbergt in wezen een waardeoordeel.

De ervaring die ik heb met Nederlandse collega's psychologen (dat waren vooral researchmensen), is dat ze veel meer dan wij ééndimensioneel denken, in 2 betekenissen: 1) ze kunnen moeilijk tegelijk werken met 2 verschillende visies/hypothesen omtrent een persoon/thema; 2) ze onderkennen minder dan wij dat een persoon een "veelheid van personen" is, dat een mens, ook een "normaal" mens, een vat is van innerlijke conflicten en dualiteiten zonder dat dit een probleem hoeft te zijn.

Maar dit zijn terloopse opmerkingen: ik heb daar geen systematisch zicht op.


3 opmerkingen:

Suzanne zei

hdwconsultancy.web-log.nl
3de keer, goede keer?
In elk geval Eric zal met genoegen zijn mening geven.

Harold zei

Het staat er nu prima op Suzanne, ben benieuwd of jullie ook zo'n ontwikkeling doormaken in se sectoren zorg en welzijn...

Harold zei

Blij ben ik met de reactie van Eric Rosseel.
Verdikkeme, blijk ik als eendimensionale Ollander ;-))bij 'onze twee of Multi-dimensionaal denkende Zuiderburen ;-)) via de blog van Suzanne een niet alleen zeer deskundige, maar ook een inhoudelijk fantastisch goede reactie te krijgen.

Een response waarbij je mag vaststellen, (we zijn vanuit andere ervaringen, werkgebieden, posities en perspectieven, als ambachtelijk werkende specialisten in communicatie en interacties) geestverwanten.

Ik noemde mezelf vaak ‘vakidioot’ toen ik nog voor instellingen werkte, en daarmee bedoelde ik dan dat je ondanks je een positie waarbij men verwacht dat je als leidinggevende, als manager, beleidsmedewerker, nog volop doende bent met ‘de uitvoering.’ Datgene wat er in het primaire proces speelt. Die bevlogenheid zie je bij de vakmensen uit alle sectoren. Ik heb wel eens een hoogleraar bouwkunde, samen met een directeur van een bouwbedrijf, samen in een stapel stenen zien duiken, waar een volgens hun heel bijzondere steen werd opgeduikeld. Dat zie ik dus als een eretitel voor iedereen die welk vak dan ook goed beheerst en er van houdt.

Mensen die in ieder geval zelfs virtueel, zonder elkaar als persoon te kennen, over 'het vak' en hoe je daar in zit, in hoort te zitten als professional, het al zeer vergaand eens zijn met elkaar. Op basis van knowhow. Ik betrap ons zelf dan als bewogen door kinderlijke vreugde, mensen die nog kunnen genieten van hun vak en zelfs van de moeilijke en zware aspecten aan zo’n vak.

Ik dacht bij de reactie van Eric aan een uitspraak van Jack Serton, een bokstrainer die tegen de jongens riep: “denk er aan jongens, wat nu zwaar en moeilijk is tijdens de training, is straks in de wedstrijd veel lichter en gemakkelijker…”