woensdag 7 juli 2010

Cel 323


De link waar ik dagelijks even op bezoek ga, met toestemming mag ik jullie hier een stukje aanbieden, één stukje van de duizenden reeds geschreven door de kapitein van 'Het Zinkend Schip'

Geniet... en als het bevalt is het een must volgende link te bezoeken:



CEL DRIE TWEE DRIE


Men zocht mij, maar dat wist ik niet.

Evenwel, men vond mij, neen, ik ben me gaan aanmelden met de vraag of er wat aan de hand was, want een kennis van mij hadden ze midden in de nacht wakker gebeld: of ik daar soms lag te slapen, de genaamde enzovoorts, of ze eens mochten kijken? Ze droegen een hoed en een blauwe regenjas, 1991, zo gek kan een mens het zelf toch niet bedenken.

Ik had geen flauw vermoeden, wist nergens van. Daar stond ik, wat een geheimzinnig gedoe, op een maandagochtend rond acht uur, derde of vierde verdieping, ik weet het niet meer, alle lichten waren aan, en ik vond dat een nodeloze verspilling, het was zo klaar als ik weet niet wat.

Of ik honderdduizend frank op zak had? Geen rooie duit, meneer. Plots werden wapens bovengehaald en ik werd onzacht in de boeien geslagen, letterlijk omsingeld door gure kerels en een manwijf met haar op de overtollige benen.

Er werden me geen rechten voorgelezen, Dalziel, Pascoe, Frost en zelfs Morse, en als het niet anders kan ook Lewis doen dat wel, - of ik aangehouden werd?

Of ik wilde zwijgen? Of ik wat misdaan had? Nu niet, later. Ik werd achteraan in een wagen geduwd, met zwaailichten aan door Gent gereden, kijk daar, Pol, het laatste stuk als de aankomst van een wielerwedstrijd, een lange rechte kasseibaan, bomen aan weerszijden, dan de grote ijzeren poort, bah, wat een benepen binnenkoer, koud en kil zelfs in de zomer, - Gent is een historische stad, de negentiende eeuw moet nog komen.

Er werd wat over en weer gepraat, naar mij gekeken, via de intercom werd om versterking gevraagd. Grapjes over en weer, tot een volgende keer, zwaailichten af, poort open, auto heen, laatste stukje groen gezien, laatste vleugje blauw gesnoven, een meisje op een fiets, boeien af.

Zet u. Ik bevond me in een te kleine ruimte, de geur van een militair hospitaal, mij werd gevraagd me volledig uit te kleden, alles ging in een zak, een inventaris werd opgesteld, mijn luttele franken stuk voor stuk geteld. Een ouwe loet was nu baas over mij en mijn leven, ik werd gewogen en gemeten, of ik een aalmoezenier wenste te ontmoeten, of een lekenconsulent of een dominee, et cetera, jongens, hier moet geld zitten want die kerels doen dat toch ook niet gratis.

De fotograaf komt morgen, ook dat nog. Was ik ter dood veroordeeld zonder dat ik van iets wist?

Ik ontving een grijsbeige rafelplunje, maar aan mijn voet geen ketting met een loden bol, dat viel tegen.

Ik mocht wat tabak houden, Belgam blauw. Suiker was er niet op dit ogenblik, maar dat zou me later worden bezorgd, ik weet niet meer hoeveel klontjes hij zei, maar ik heb nooit wat gezien.

De kantine was nu niet open, maar ik kreeg een lijst van wat ik kon bestellen, dat werd dan de woensdag rond tien uur op cel geleverd. Salami dat leek me wel wat, een complete worst voor haast geen geld, ze telden vier frank te weinig uit mijn zak, jammer. Soit.

Zelfs voor een potlood met gom had ik te weinig, voor werk in het atelier kwam ik niet in aanmerking, in de bibliotheek was geen plaats vrij, misschien poetswerk maar dan zou ik wel moeten bewijzen dat ik. Hou toch op kerel, ga stoer doen in café De Kassei, ik ken u wel en gij mij. Als laatste gingen mijn schoenen, mijn kousen en mijn Russische perestroika horloge, hop, in de zak.

Een wirwar van gangen, sleutelbossen, hekkens en tralies, geroep en geschreeuw. Ik kreeg nog een jas, een trui en versleten pantoffels. Derde verdieping, wat gaat het vlug, ik geloof cel drie twee drie.

Ha, maat. Dag. Is het uw eerste keer? Ja, zeg dat wel, en ik weet niet waarom. Geeft niet, ik ook niet, op mij kunt ge rekenen. Dank u. Allez, allez, iedereen is hier gelijk voor de wet, niks te danken. Ik ben Freddy, vrachtwagenchauffeur.

Een dodelijk ongeluk, ik had gedronken, ik moet toch zo oppassen man, en dan hebben ze thuis mijn wapens gevonden. De rest moet nog voorkomen, ik stond in alle kranten, hebt ge dat niet gezien? Ja, misschien wel.

Diezelfde dag nog twee nieuwe klanten.

Vier mensen, drie bedden, in de linkerhoek een toilet en een lavabootje uit de tijd dat er nog geen wereldoorlogen bestonden, niet eens een deur, nauwelijks een gordijn, een ondraaglijke hitte.

Over een en ander zwijg ik, want wat een mens niet mogelijk acht in het land van de solidariteit en de prins met de baard bestaat niet in het land van de daklozen en de prinsendoper op rust.




Geen opmerkingen: